Lozingsnormen

Normen voor het lozen van afvalwater zonder gevaarlijke stoffen

  1. Het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door besmet kan worden, moet ontsmet worden.
  2. De zuurtegraad (pH) van het geloosde water mag niet meer dan 9 en niet minder dan 6,5 bedragen.
  3. Het biologisch zuurstofverbruik (BZV) van het geloosde water mag 50 mg/l niet overschrijden.
  4. In het afvalwater mogen de volgende waarden niet overschreden worden
    - 0,5 ml/l bezinkbare stoffen (na 2 uur bezinking)
    - 60 mg/l zwevende stoffen
    - 3 mg/l Apolaire koolwaterstoffen
  5. Het geloosde afvalwater mag geen gevaarlijke stoffen bevatten met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de fauna of de flora.
  6. Op een monster van het geloosde afvalwater mag geen drijflaag ten gevolge van oliën, vetten of andere drijvende stoffen vastgesteld worden.

Het gehalte aan stikstof - en fosforverbindingen is niet genormeerd, ze vormen de zogenaamde nutriënten  Algemeen mag echter verwacht worden dat de wetgeving in de toekomst zal verstrengen, zodat je hier best rekening mee houdt bij de keuze van een systeem. Deze verbindingen zijn essentieel voor de groei van organismen. Een teveel aan stikstof en fosfor zorgt echter voor eutrofiëring (overdreven verrijking met voedingsstoffen) van oppervlaktewateren.

Eutrofiëring leidt tot een excessieve groei van algen en waterplanten. Algen produceren weliswaar zuurstof overdag, maar 's nachts verbruiken ze zuurstof.  Daarnaast veroorzaakt algengroei een verhoogde BZV-belasting op het moment dat de algen afsterven.


Normen voor het lozen van afvalwater met een of meerdere gevaarlijke stoffen

  1. De ammonium-N moet lager dan 5 mg N/l zijn
  2. Kjeldahl-N lager dan 6 mg N/l
  3. De som van nitraat en nitriet moet lager zijn dan 10 mg N/l
  4. Het Ortho-fosfaat lager dan 0.3 mg P/l
  5. Totale fosfaatgehalte lager dan 1 mg P/l

Dit zijn de belangrijkste normen voor oppervlaktewater met een basismilieukwaliteit. De lozing van gevaarlijke stoffen dient wel maximaal voorkomen te worden door het toepassen van de Best Beschikbare Technieken.


Wat is BZV en CZV?

In een waterbiotoop is opgeloste zuurstof noodzakelijk voor de ademhaling van aërobe micro-organismen en hogere levensvormen zoals vissen. Een belangrijk deel van de organische verontreiniging (bladeren, voedselresten, afgestorven organismen, afvalwaterlozingen, ... ) wordt in aanwezigheid van zuurstof door de micro-organismen afgebroken.

De aanwezigheid van biologisch afbreekbare organische componenten heeft tot gevolg dat de zuurstofconcentratie daalt, zodat vissen en ander aquatisch leven worden bedreigd. Is het zuurstofgehalte zeer laag, dan breken anaërobe bacteriën het organisch materiaal af. Er vormen zich gassen. Deze waters worden gekenmerkt door hun zwarte kleur en de opstijgende gasbelletjes.

Om een idee te krijgen van de hoeveelheid zuurstof die verbruikt wordt door de micro- organismen bij afbraak van organische componenten, heeft men de begrippen biologisch zuurstofverbruik (BZV) en chemisch zuurstofverbruik (CZV) ingevoerd. Het BZV is de maat voor de organische vervuiling van het water die biologisch afbreekbaar is. Hoe meer het water belast is, hoe meer zuurstof de micro-organismen nodig hebben voor de afbraak.

Het CZV geeft aan hoeveel zuurstof er verbruikt zal worden als het afvalwater op een chemische manier geoxideerd wordt. Het CZV zal altijd hoger liggen dan het BZV. De twee zuurstofparameters worden met een gestandaardiseerde test bepaald en worden gebruikt om een afvalwater te karakteriseren, een effluent te testen of om een beluchting te dimensioneren.

Bron: waterloket Vlaanderen, provincie Oost-Vlaanderen, Vito